Minder speelgoed, meer spelen
Onlangs volgde ik een masterclass over het organiseren van speelgoed. Dat kwam niet helemaal toevallig. Op dit moment werk ik bij een jong gezin waar behoorlijk wat speelgoed aanwezig is en waar de vraag speelt hoe je daar meer overzicht en rust in kunt brengen.
De masterclass zette me aan het denken. Want wanneer is speelgoed eigenlijk te veel? En maakt de hoeveelheid speelgoed eigenlijk uit voor de manier waarop een kind speelt?
Dat is natuurlijk best subjectief. Voor de één zijn 30 speelgoedauto’s een normale hoeveelheid, terwijl een ander al bij 10 denkt: waar laten we het allemaal?
Laten we voor het gemak zeggen dat 75 of meer stuks veel speelgoed is. Niet omdat daar een magische grens ligt, maar omdat het wel helpt om er eens anders naar te kijken.
Want de vraag is misschien niet alleen hoeveel speelgoed een kind heeft, maar ook wat een grote hoeveelheid speelgoed doet met de manier waarop een kind speelt.
Te veel keuze kan ook afleiden
Kinderen die veel speelgoed tot hun beschikking hebben, lijken zich tijdens het spelen soms minder lang en minder diep te kunnen concentreren. Het spel kan korter en vluchtiger worden. Ze gaan sneller van het ene naar het andere. Eigenlijk is dat ook wel begrijpelijk.
Stel dat je kind vijf puzzels voor zich heeft liggen. Eén puzzel lukt niet zo goed. Dan is het verleidelijk om die aan de kant te schuiven en een andere te pakken. Maar als er maar één puzzel ligt, is er een grotere kans dat je nog eens kijkt. Een stukje omdraait. Opnieuw probeert. En uiteindelijk toch ontdekt hoe het moet.
Juist dat doorzetten is iets wat kinderen tijdens het spelen oefenen.
Een grote hoeveelheid speelgoed geeft ook veel prikkels. Er valt steeds iets anders te kiezen en daardoor kan het lastiger zijn om helemaal op te gaan in één spel. Terwijl juist die diepe spelmomenten zo waardevol zijn. Het moment waarop een kind helemaal verdiept is en even vergeet wat er om zich heen gebeurt.
Minder speelgoed geeft ruimte
Met minder speelgoed ontstaat er letterlijk meer ruimte om zelf iets toe te voegen. Speelgoed is tenslotte maar een onderdeel van het spel. De fantasie van een kind doet de rest. Een paar houten blokken kunnen een huis zijn, een garage of een kasteel. Een deken wordt een tent. Een paar poppetjes krijgen een heel verhaal.
Hoe meer speelgoed al voorschrijft wat je ermee kunt doen, hoe minder vanzelfsprekend het wordt om zelf iets te bedenken.
Dat betekent niet dat je nu de helft van de speelgoedkast moet wegdoen. Het gaat vooral om de hoeveelheid en om de ruimte die een kind krijgt om zelf te ontdekken.
Wat kinderen leren tijdens het spelen, nemen ze mee
Spelen is niet zomaar een bezigheid om de tijd door te komen. Kinderen oefenen tijdens het spelen allerlei vaardigheden die ze later ook nodig hebben.
Focus. Doorzetten. Samenwerken. Creatief denken. Problemen oplossen.
Er zijn ook onderzoeken in kinderopvang en kleuterklassen waarin wordt gezien dat kinderen die met minder speelgoed spelen langer betrokken blijven bij hun spel. Die grotere focus kan vervolgens ook zichtbaar zijn bij andere activiteiten, zoals een werkje in de klas.
Ook het samenspelen kan meer ruimte krijgen wanneer er minder speelgoed is. Als niet iedereen zijn eigen spullen heeft, ontstaat er vanzelf meer aanleiding om samen iets te bedenken, op elkaar af te stemmen en materiaal te delen.
Opruimen hoort bij spelen
Er is nog iets wat kinderen spelenderwijs kunnen leren: dat spelen en opruimen bij elkaar horen.
Je wilt spelen, dus je pakt iets uit de kast of van de plank en gaat ermee aan de slag. Ben je klaar? Dan gaat het weer terug naar zijn vaste plek.
Zo wordt opruimen geen vervelende onderbreking van het spelen, maar gewoon een onderdeel ervan.
Dat gaat natuurlijk niet vanzelf vanaf het moment dat een kind kan lopen. Jonge kinderen hebben hierbij begeleiding nodig. Samen opruimen, voordoen en steeds dezelfde vaste plekken gebruiken helpt om er een gewoonte van te maken.
En juist wanneer er niet eindeloos veel speelgoed is, is dat overzicht ook veel makkelijker te bewaren. Een kind kan zien waar iets hoort en kan het daardoor steeds zelfstandiger terugleggen.
Zo leert een kind niet alleen spelen, maar ook zorgen voor zijn spullen en zijn omgeving.
En hoe zit het met de waarde van spullen?
Er is nog iets waar ik als professional organizer vaak bij stilsta.
Kinderen leren niet alleen wat speelgoed is. Ze leren ook hoe je met spullen omgaat.
Als speelgoed voortdurend wordt aangevuld, vervangen of zonder veel nadenken wordt weggelegd omdat er alweer iets nieuws is, kan het moeilijker worden om de waarde van spullen te ervaren.
Bij minder speelgoed kan juist meer aandacht ontstaan voor wat er wél is. Kinderen kunnen hun speelgoed beter kennen, er langer mee spelen en er misschien ook zuiniger op zijn.
Dat vind ik persoonlijk een mooie gedachte.
Want uiteindelijk gaat het bij speelgoed niet om de vraag of een kind veel of weinig heeft. Het gaat erom of het speelgoed uitnodigt tot spelen, ontdekken en fantaseren. En of er nog genoeg ruimte overblijft voor het kind zelf.
Dus moet je nu speelgoed gaan wegdoen?
Niet persé. Ik zou vooral eens observeren.
Waar speelt je kind echt graag mee? Waar komt het steeds op terug? Welk speelgoed blijft onaangeraakt liggen? En wat gebeurt er als er tijdelijk wat minder speelgoed beschikbaar is?
Je hoeft ook niet meteen afscheid te nemen van spullen. Je kunt bijvoorbeeld een deel van het speelgoed opbergen en na een tijdje wisselen. Dan voelt het vertrouwde speelgoed soms ineens weer als nieuw.
En misschien is dat wel een van de grootste voordelen van minder speelgoed: niet minder mogelijkheden, maar juist meer ruimte om te spelen.
Een kind heeft tenslotte niet alleen speelgoed nodig. Het heeft ook ruimte nodig voor zijn eigen fantasie.
Wil jij ook meer rust en overzicht in het speelgoed van je kind? In mijn opruimworkshop kun je niet alleen spullen van volwassenen aanpakken, maar ook het speelgoed van je kinderen organiseren


